Joodsche Raad Enschede

Was de joodse bevolking in Enschede zich bewust van wat er gebeurde in Duitsland vóór 1940? Ies Cohen geeft een antwoord. 'Het houdt allemaal wel op bij de grens, dacht men'.

De periode van januari 1933 tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 wordt in Duitsland gekenmerkt door voortdurend toenemende antisemitische maatregelen, intimidaties en molesteringen, confiscaties van joodse eigendommen, brodeloos maken, interneringen en gedwongen emigraties, alsmede een zo volledig mogelijke scheiding tussen de joodse 'Untermensch' en de superieure niet-jood, de 'Ariër'.

De joden werden uit overheidsdienst ontslagen, moesten zich als "jood" laten registreren, en werden steeds verder uit het openbare leven teruggedrongen; zo mochten zij geen gebruik meer maken van bibliotheken, stranden, hotels, en mochten joodse kinderen niet meer naar de bestaande scholen.

Joodse vluchtelingen

In de jaren dertig waren er veel Duitse joden naar Nederland gevlucht om aan het Nazi-bewind te ontkomen. De regering wilde alleen mensen toelaten die in levensgevaar verkeerden. In overleg met het Comitee voor Bijzondere Joodsche Belangen werd in 1933 bepaald dat de vluchtelingen de Nederlandse staat geen geld mochten kosten.

De staat wilde alleen gevluchte joden die de economie konden stimuleren. Voor de opvang van vluchtelingen werd het door de Joodse gemeenschap gefinancierde kamp Westerbork gebouwd. De Nederlandse joden moesten zelf voor hun geloofsgenoten zorgen.

  • De joodse gemeenschap voor 1940
  • Duits-joodse vluchtelingen in Enschede
  • Kristallnacht: nacht van het gebroken glas
  • De ideologie van het nationaal-socialisme
  • De stad Enschede voor de oorlog
  • Stoomweverij Nijverheid
  • Rangen en standen
  • De familie Menko en en de textielfabrikanten
  • Staking 1931/1932
  • De sjoel van Enschede