De geschiedschrijving over de jodenvervolging tijdens de oorlog in Hengelo en Enschede is beperkt. Wetenschappelijk onderzoek is er tot nu toe niet of nauwelijks verricht.
G.J.I. Kokhuis, een Hengelose geschiedenisleraar, heeft een aantal overzichtswerken
gepubliceerd over Hengelo en Twente, waarvan Historie van Hengelo (1983)
en Twente in de Tweede Wereldoorlog (1993) enige aandacht aan de lokale
jodenvervolging besteden.
Hetzelfde geldt voor de aandacht die aan de jodenvervolging te Hengelo wordt
besteed door J.P. van Vree in zijn Hengelo in oorlogstijd. Het boek bevat
wederwaardigheden die voor het merendeel zijn opgetekend uit de mond van Mr.
J.A.H.J. van der Dussen, burgemeester van Hengelo in de periode 1937-1951.
De enige zuiver wetenschappelijke behandeling van de jodenvervolging in Hengelo
is opgenomen in Pinkas: geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland
van J. Michman, H. Beem en D. Michman uit 1985. Uit de tekst blijkt hoe weinig
er over dit onderwerp bekend is; over de laatste drie oorlogsjaren wordt in
het geheel niet gesproken.
Over de jodenvervolging in Enschede bestaat meer literatuur dan in het geval
van Hengelo, maar ook hier lijkt nog weinig wetenschappelijke geschiedschrijving
te bestaan. Het in 1983 verschenen De joodse gemeenschap te Enschede 1930-1945
van L.F. van Zuylen is een bewerking van zijn scriptie voor de M.O.-akte geschiedenis.
In deze bewerkte vorm heeft Van Zuylen, ten bate van de leesbaarheid, helaas
de literatuurnoten verwijderd. Dat maakt deze studie tot een werk van weinig
wetenschappelijke allure; maar toch geeft de inhoud ervan een waardevolle beschrijving
van de geschiedenis van de joodse gemeenschap van Enschede tussen 1930-1945.
Tevens wordt een aantal verklaringen gegeven voor het relatief lage aantal slachtoffers.
Hetzelfde geldt voor Enschede 1940-1945 uit 1985 van T. Wiegman, een
voormalig stadsarchivaris van Enschede. Ook dit werk moet het zonder literatuurverwijzingen,
en zelfs zonder enige vorm van notenapparaat doen, maar beschrijft toch gedetailleerd
de geschiedenis van Enschede in de Tweede Wereldoorlog. Hierbij staat de jodenvervolging
niet centraal, maar het wordt ook zeker niet summier behandeld. Ook in het geval
van Enschede geldt, dat de enige wetenschappelijke literatuur over de jodenvervolging
ter plaatse bestaat uit het overzichtsartikel over Enschede in Pinkas
van Michman, Beem en Michman.
Het
wetenschappelijke onderzoek naar de rol van de illegaliteit in Hengelo en Enschede
is omvangrijker. Natuurlijk wordt in deze studies ook over de jodenvervolging
geschreven. Maar in studies als De illegaliteit in Twente. Een onderzoek
naar het ondergronds georganiseerd verzet in '40-'45 van A. Bornebroek (1985)
en De illegalen. Illegaliteit in Twente & het aangrenzende Salland 1940-1945
van C. Hilbrink (1989) is de jodenvervolging slechts één van de
behandelde deelonderwerpen van de verzetsgeschiedenis. Dat geldt slechts gedeeltelijk
voor de bibliografie van ds. L. Overduin,
Leendert Overduin. Het levensverhaal van een pastor Pimpernel 1900-1976,
in 2000 verschenen van de hand van A. Bekkenkamp. Hierin staat het verzet tegen
de jodenvervolging in Enschede centraal, waardoor het natuurlijk vanzelf waardevolle
informatie biedt over die vervolging. Maar ook dit meest recente werk over de
lotgevallen van de joodse bevolking van Enschede tijdens de Tweede Wereldoorlog
is niet van wetenschappelijke aard, waardoor die lacune nog altijd bestaat.
Zoals uit bovenstaand overzicht blijkt, geldt dit laatste zowel ten aanzien
van Hengelo als van Enschede. Er is over de lotgevallen van de joodse bevolking
van beide steden tijdens de Tweede Wereldoorlog weinig geschreven, zeker in
het geval van Hengelo; en dat wat er geschreven is, heeft veelal niet de vorm
van een wetenschappelijk historisch verslag.

Brief Gerard
Sanders geschreven vlak na zijn arrestatie
Bron: Marjolein Schenkel, De lotgevallen van de joodse bevolking
van Hengelo en Enschede tijdens de Tweede Wereldoorlog (Doctoraalscriptie,
Amsterdam 2001)